Jongens zijn slimmer dan meisjes

Zo luidt de titel van het boek geschreven door Pedro de Bruyckere en Casper Hulshof. Een leuk boekje waarin een aantal mythes over leren en onderwijs onder de loep worden genomen.

Overal heersen vele mythes die ons denken en doen beïnvloeden, ook in onderwijsland. Zo wordt gedacht dat kleinere klassen beter zijn. De auteurs tonen aan dat dit toch iets genuanceerder ligt. De kwaliteit van de leerkracht lijkt belangrijker te zijn dan de klassengrootte. En significante verschillen tussen grote en kleine klassen treden pas op als er minder dan 16 leerlingen in een klas zitten. Maar ja, daar hangt wel een behoorlijk prijskaartje aan!

Veel professionals die in het onderwijs- en opleidingsveld werkzaam zijn, werken (onbewust) vanuit foutieve theorieën. Ik ook, zo blijkt na lezing van dit boekje. Veelal blijkt dat theorieën verkeerd worden geïnterpreteerd door de gebruikers, zo blijkt na het lezen van het boekje. De bedenker van een theorie heeft iets bedacht, waarna anderen met de theorie aan de haal zijn gegaan en deze uit het verband hebben getrokken. De volgende stelling ken je vast wel:

Je leert 70% informeel, 20% door anderen en 10% via formeel onderwijs.

Informeel leren is inderdaad waardevol, maar wetenschappelijk is er geen bewijs voor deze 70-20-10-regel. De ‘bedenkers’ van deze regel (Lombardo en Eichinger) zijn zelf erg voorzichtig met deze regel. Daarnaast gaat hun uitspraak over het aanleren van leiderschap. Daarmee is de regel nog niet direct van toepassing op andere gebieden, bijvoorbeeld het aanleren van een wiskundeformule.

Het lezen van Jongens zijn slimmer dan meisjes zet mij Poppetje - boekals onderwijskundige/trainer wel aan het denken. Welke theorieën zet ik in binnen mijn werkzaamheden? En hoe overtuigd ben ik van het gelijk van deze theorieën? Theorieën kunnen houvast geven, maar kunnen er ook voor zorgen dat je de verkeerde richting kiest. En dan ligt selffulfilling prophecy op de loer: omdat je erin gelooft, ga je er ook naar handelen. Een beetje nuanceren kan dus zeker geen kwaad.

 

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Geluk is niet iets wat je zoekt, het is er al!

Blog naar aanleiding van leeslounge LOSmakers voor het boek ‘Generatie Einstein’ van Jeroen Boschma & Inez Groen (pag. 203-247).

Zoals al eerder te lezen viel is Generatie Einstein een sociale, coöperatieve, slimme, betrokken generatie. Een generatie die eerlijkheid, authenticiteit en gezelligheid hoog in het vaandel heeft. Maar hoe komt dat tot uiting in dagelijkse dingen als leren, werken en wonen?

Om te beginnen met dat laatste…jongeren in de generatie Einstein blijven langer thuis wonen, dan generaties voor hen. Ze passen zich aan aan de huiscultuur en leven verder hun eigen leven, samen met vrienden – ongehinderd door ouders. Het samen thuis zijn (met alle huisgenoten) is voor jongeren waardevol, maar wil niet per se zeggen dat je dan ook steeds met elkaar bezig ben -dingen samen doet, zoals tv kijken en spelletjes doen. Nee, alleen al het samen zijn en terwijl ieder zijn eigen ding doet, is voldoende.

Toch komt er een moment dat ook deze jongeren uitvliegen. De gewenste woonsituatie wordt dan vormgegeven door de omgeving waar de jongere is opgegroeid. Was dat een flatje drie hoog achter, dan zal dat in eerste instantie ook de maat zijn. Gezelligheid en sfeer spelen daarbij een belangrijke rol. Beperkingen in de woonomgeving zijn nog niet van belang. Pas als er een partner en kinderen in beeld komen, wordt hierover nagedacht en gaan veiligheid, rust, groen, ruimte, frisse lucht e.d. een rol spelen. Belangrijk in de woonomgeving van de generatie Einstein is ook de heterogeniteit in de wijk. Verschillende nationaliteiten, generaties en achtergronden zorgen voor een mooi mix. Een centrale ontmoetingsplek waar deze diversiteit wordt samengebracht, is voor generatie Einstein een must, alleen al het samen zijn en terwijl ieder zijn eigen ding doet, is voldoende.

Als onderwijskundige ben ik uiteraard nieuwsgierig hoe het zit met leren en werken voor deze generatie. Waarin verschilt deze generatie van andere generaties? Na al het voorgaande gelezen te hebben komt het niet echt als verrassing meer dat deze generatie van een docent in het bijzonder en het onderwijs in het algemeen verwacht dat dit eerlijk en authentiek is. School is een integraal onderdeel in het leven van jongeren. Ze vinden school dan ook belangrijk. Niet alleen vanwege de leerplicht, maar ook voor hun toekomst. Waar de docent vroeger een duidelijke positie had als kennisexpert, is die positie nu veranderd. Informatie en kennis zijn in deze digitale wereld voor iedereen vindbaar. Als je gitaar wilt leren spelen, zoek je op internet naar een ‘how to’-filmpje. Maar wat is dan nog de toegevoegde waarde van een docent? Volgens jongeren is een goede docent:

‘iemand die je kent, die aandacht voor je heeft, die ook eens vraagt hoe je weekend
was, maar die tevens goed les kan geven – zodat iedereen aan het eind van de les
datgene heeft geleerd wat geleerd diende te worden – en een klimaat weet te
scheppen waarin goed geleerd kan worden.’

Het gaat daarbij om een goed begeleide en gestructureerde manier van kennisoverdracht. Kennisoverdracht op een dusdanige manier waarmee de docent aansluit op verschillende leerstijlen. Kennis is overal te vinden. Het gaat erom wat iemand ermee doet en de manier waarop iemand die kennis gebruikt om iets over te brengen. Het saaiste onderwerp kan interessant worden, als de docent bevlogen is. Maar dat gold mijns inziens ook al bij andere generaties. Anders dan vroeger is wellicht het respect dat jongeren verwachten. Als een docent hen respecteert, dan respecteert de jongere de docent. Dat wederzijdse respect is anders dan bij eerdere generaties. En voor de huidige generatie docenten ook niet altijd makkelijk te aanvaarden. Het is nogal wat. Vroeger had de jongere respect voor de docent (een eenrichtingsweg), nu verwacht diezelfde jongere ook respect van de docent terug. Die oude patronen doorbreken is een hele opgave. En dat geldt ook voor de veranderende didactiek. Waar generatie X vooral verbaal leerde – via (geschreven) tekst, leert generatie Einstein vooral in beelden. Dat doet een beroep op de creativiteit van de docent (en dat is niet per definitie zijn sterkste kant).

Ook ten aanzien van de arbeidsmarkt heeft de jongere bepaalde verwachtingen. Je werkt om te leven en niet andersom. Je zetje talenten in, netwerkt en werkt voor zelfontplooiing, niet voor status. Ergens voelt het dan wel tegenstrijdig om te lezen dat de generatie Einstein zich in haar werk richt op het resultaat en niet zozeer op het proces, zoals generatie X. Is dat niet zelfontplooiingtegenstrijdig met de hang naar zelfontplooiing?

Die zelfontplooiing is een van de centrale waarden van generatie Einstein. Voor jongeren is het hoogste goed jezelf ontwikkelen als mens, gelukkig zijn en plezier hebben. Dat is niet iets waar je naar streeft, dat is er al. Hoe je dat geluk bereikt of voelt, is afhankelijk van wie je bent.

Kijkend naar mezelf, ik ben een late generatie X’er (en misschien wel een vroege ‘Einsteiner’), vind ik de beschrijving over die zelfontplooiing treffend. Begin dit jaar kwam ik thuis te zitten met een burn-out. Het contact met mezelf, met wie ik diep van binnen ben, was ik enigszins kwijt geraakt. In het proces van herstellen, ben ik weer op zoek gegaan naar mijn eigen ik. En hoewel ik het soms nog lastig vind om bij mezelf te blijven en niet te zwichten voor de eisen die anderen, de maatschappij aan je stelt, merk ik dat leven vanuit mijn eigen kracht en eigenheid wel veel beter bij me past. En misschien vind ik daarom de doelgroep van generatie Einstein juist ook zo leuk in mijn werk…

‘Zelfontplooiing van binnenuit, intern gedreven door wensen en behoeftes van jezelf en niet gestuurd door eisen van de maatschappij.’

Moet je daarvoor echt een Einsteiner zijn? Of heeft dat gewoon ook te maken met persoonlijkheid?

Geplaatst in Generaties en generatieleren | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het medialandschap van Generatie Einstein

Blog naar aanleiding van leeslounge LOSmakers voor het boek ‘Generatie Einstein’ van Jeroen Boschma & Inez Groen (pag. 83-118)

Als ik om me heen kijk in de trein, zie ik weinig jongeren die nog een boek zitten te lezen, gewoon een beetje voor zich uitstaren door het raam of een goed gesprek met een reisgenoot voeren. Nee, die gesprekken zijn er misschien nog wel. Maar vrijwel altijd met een mobieltje in de hand, waar regelmatig een berichtje op wordt gelezen of verstuurd. Of met oordopjes in, waar (hoorbaar) muziek op wordt geluisterd, tijdens de conversatie met de ander.

Poppetje - achter laptopDie telefoon is als het ware een verlengstuk van de jongeren uit de Generatie Einstein. De auteurs merken in het hoofdstuk ‘De voetangels en klemmen van het medialandschap’ niet voor niets op dat deze generatie is opgegroeid met computer, internet en mobiele telefoons. De oudere generaties bekijken communicatiemiddelen en media als internet, computers en mobiele telefoons vanuit een technisch oogpunt, terwijl jongeren meer vanuit een emotioneel oogpunt naar deze middelen en media kijken. Voor hen is het geen technisch nieuw dingetje, het was er al bij hun geboorte en is voor hen van heel andere waarde dan voorgaande generaties. Het is de verbinding met familie en vrienden.

Wil je communiceren via dergelijke communicatiemiddelen en media, dan zul je in de mediastrategie rekening moeten houden met deze emotionele betekenis. De boodschap moet daarbij centraal staan, niet het middel of mediatype. Er bestaat ook niet zoiets al een medium dat heel specifiek voor jongeren bestemd is, een medium dat zij als enigen gebruiken. Dat is een illusie, aldus de auteurs.

‘Wij volwassenen hebben met nieuwe media niet duidelijk voor ogen wat je er nu wel of niet mee kunt, maar met name komen we maar niet achter de betekenis en functie’. Deze betekenis en functie is voor jongeren vaak heel anders dan voor volwassenen. De auteurs geven daarvan een mooi overzicht (p. 91-92), waarin de technische en emotionele functies per mediumtype naast elkaar worden gezet.

De overdaad aan media wordt volgens de auteurs door jongeren met het grootste gemak omarmd. Ze selecteren, skippen, filteren, downloaden, multitasken, knippen en plakken hun hele wereld digitaal aan elkaar. Ze gebruiken de media intensief en vaak ook tegelijkertijd. Uit een studie die wordt aangehaald zou ook blijken dat jongeren geen dag meer zonder media willen. Want zonder apparaten en media, betekent ook zonder vrienden en familie. Zo gebruiken jongeren die media ook vooral. Om in contact te blijven met familie en vrienden, onafhankelijk van plaats en tijd.

Een heel aantal mediumtypen wordt door de auteurs besproken. Opvallend daarbij is dat voor tv geldt, dat de inhoud van een programma leidend is en niet de presentator. En jongeren kijken steeds meer tv via internet, zodat ze reclameboodschappen dan kunnen skippen. Radio, podcasts en muziek in het algemeen zijn voor alle generaties altijd van belang geweest. Nieuw voor de jongeren van nu is dat zij muziek veel vaker met elkaar delen. En dat er steeds meer ‘branded radio’ ontstaat, radio die volledig is opgehangen aan een merk.

Tijdschriften lezen jongeren nog steeds, niet alles wordt online gelezen. Dat komt doordat je makkelijk door een tijdschrift kunt bladeren en ze zijn ook nog een betrouwbaar (belangrijk voor deze generatie), want er zit een professionele redactie achter. De afwisseling met internet is heel welkom.

De auteurs stellen dat de mobiele telefoon voor jongeren een persoonlijk fashionitem is. Een aantal jaar terug was de Blackberry erg populair, voornamelijk omdat je gratis kon pingen met anderen. Ik denk dat die populariteit nu voor de smartphone in het algemeen, nu nog meer geldt met de komst van Whats App e.d. Zelf lees ik veel mijn e-mail op mijn telefoon. Maar ik vraag me sterk af of jongeren dat ook doen? E-mail is nu niet het meest snelle medium (als zullen oudere generaties daar vast anders over denken).

Gamen is voor jongeren vooral een sociale gebeurtenis geworden. En met name voor jongens zou het een belangrijke manier zijn om te communiceren. Games zijn een interessant medium voor reclame. Zolang het de game-ervaring en het gevoel van echtheid versterkt, kan reclame heel goed. Het is dan echter nog de vraag wat voor effect het heeft op het uiteindelijke koopgedrag.

Hoewel soms een ander indruk wordt gewekt, zijn jongeren niet ‘compleet digitaal’ geworden. Vriendschappen op internet komen niet in de plaats van vriendschappen in real life. Ze voegen een dimensie toe, waardoor intensiever contact mogelijk is en bestaande vriendschappen zich versterken. Jongeren blijken een heel sterk gevoel te hebben wanneer je wat het beste kunt gebruiken. En dat doen ze dan ook volop. Geloof het of niet…een grote groep jongeren (30%) zit niet eens dagelijks op internet.

Tot slot bespreken de auteurs events. Jongeren blijken vooral op zoek naar evenementen die authentiek en kleinschalig zijn en waar een menselijke uitstraling van uitgaat. Wil je als organisatie reclame maken voor je diensten of producten tijdens een event? Gebruik dan geen spandoeken of billboards, maar voeg iets toe aan het evenement vanuit de waarde van de organisatie of de functionaliteit van het product. ‘Geen gekunstelde sponsorbombarie, maar behulpzame, vriendelijke, functionele en zichtbare sponsoring’.

Conclusie: voor een goede mediastrategie (gericht op de generatie Einstein) staat de essentie van de boodschap centraal, niet het middel of het mediumtype. Als een bepaalde boodschap zich niet leent voor bijvoorbeeld een tv-commercial, laat dat medium dan maar rustig vallen.

Maar ja, wat betekent dit allemaal voor opleiden en leren? Hoe bereik je de lerende jongere? Hopelijk geeft deel II van het boek daar meer inzichten in.

Geplaatst in Generaties en generatieleren | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Alle begin is spannend…

De afgelopen maanden heb ik me in mijn werk vooral beziggehouden met het ontwikkelen van een hybride training voor praktijkexaminatoren in de handel. Er lag al een tweedaagse face-to-face training op de plank, die over het algemeen goed wordt ontvangen. Maar de doelgroep (veelal docenten uit het mbo handelsonderwijs) is erg divers, zeker qua ervaring op het gebied van de praktijkexaminering. De eerste dag van de training bestaat uit behoorlijk veel theorie, die we wel op een interactieve manier aanbieden. Toch gaat het de ene deelnemer gaat veel te snel en leunt de ander achterover en vraagt zich af hoe lang het nog gaat duren en wanneer hij naar huis mag.

Dat moet anders kunnen, dacht ik een jaar geleden. In overleg met mijn manager besloot ik een leergang ‘Leren en veranderen met sociale media’ te volgen bij En nu online. Acht maanden lang heb ik me mogen onderdompelen in een wereld van online leren, sociale media en webtools die je mooi kunt inzetten in leer- en verandertrajecten. En daar groeiden de eerste concrete ideeën voor een hybride training.

Na weken van ontwikkelwerk, het kiezen van een platform om de training in aan te bieden (we hebben gekozen voor RemindoContent van Paragin), is op vrijdag 13 september de eerste trainingsgroep van start gegaan. Ik heb gelukkig geen last van bijgeloof…en de deelnemers ook niet, want al op de eerste dag dat het platform in de lucht was, waren een aantal deelnemers (in totaal zijn er 12 deelnemers (!) gestart) al enthousiast aan de slag.

Zo’n eerste traject is altijd spannend, want werkt alPoppetje - tafel met laptoples zoals het moet? En gaan deelnemers ook echt wel aan de slag? Na anderhalve week mag ik niet klagen…ja, er blijkt wel eens niet helemaal goed te gaan. Zo stuurt één van de deelnemers op de eerste dag een berichtje dat ze geen post-its kan plaatsen op het prikbord dat ik heb aangemaakt op Padlet (bleek een verkeerd vinkje te zijn), blijkt de vragenlijst in Survey Monkey niet helemaal goed te werken (is wel snel opgelost) en gaat het plaatsen van berichten op de message wall niet zoals ik het voor ogen heb. Al die kinderziektes zijn weer mooie leermomenten voor een volgend traject.

En wat betreft de participatie van de deelnemers….die zijn lekker aan de slag. Ze reageren goed op elkaar bij bepaalde interactieve opdrachten, stellen vragen aan elkaar en vullen elkaar aan. Over anderhalve week is de face-to-face bijeenkomst en zoals het er nu naar uitziet heeft iedereen dan alle opdracht doorlopen en kunnen we die dag goed aan de slag met het inoefenen van vaardigheden. Natuurlijk niet zonder aandacht te besteden aan de ervaringen van de deelnemers met het online gedeelte van de training in combinatie met de face-to-face bijeenkomst! Voor volgende trajecten zijn vooral deze ervaringen heel waardevol om het leertraject zo optimaal mogelijk vorm te kunnen geven. Ik ben benieuwd!

Geplaatst in Leertrajecten | Tags: , , , | 2 reacties